
Reizigers moeten in de regel (uitzondering: gratis openbaar vervoer) betalen voor het openbaar vervoer. Ze betalen gemiddeld zo’n 40% van de kosten van het stads- en streekvervoer. De tarieven komen niet door vraag en aanbod tot stand, maar worden merendeels vastgesteld door de overheid. Het is belangrijk onderscheid te maken tussen:
- het tariefsysteem (de grondslag van het tarievenbouwwerk)
- het tarief (de prijs)
- de tariefdrager (strippenkaart, abonnement, eurokaartje, chipkaart).
Ontwikkelingen
Aanvankelijk had elk van de openbaarvervoerbedrijven zijn eigen tariefsysteem en zijn eigen assortiment kaartjes. Toen het stads- en streekvervoer eind jaren zestig structureel in de rode cijfers kwam vulde de rijksoverheid de tekorten aan met exploitatiesubsidies. Om de sterk groeiende tekorten beheersbaar te maken ging de overheid zowel de kosten als de opbrengsten normeren. Voor de tarieven betekende dit dat op 1 oktober 1980 een nationaal tariefsysteem werd ingevoerd voor het stads- en streekvervoer op basis van zones en met de strippenkaart als belangrijkste kaart. Voor het eerst was er een eenheidsprijs per afstand (zone). Omdat de minister van Verkeer en Waterstaat nu de ov-tarieven bepaalde werden deze een politiek item.
Met de Wet personenvervoer 2000 hebben de ov-autoriteiten de bevoegdheid gekregen zelf tarieven vast te stellen. Maar omdat tegelijkertijd ook het nationaal tariefsysteem geldt (‘de strippenkaart’) kan dit hiervan niet te veel afwijken. In de praktijk betekent dit dat er tal van lokale gemakskaartjes zijn ingevoerd: eurokaartjes, dalkaarten, dagkaarten etc.
De strippenkaart wordt vervangen door de ov-chipkaart. Reizigers betalen dan per kilometer in plaats van per zone. Als deze nieuwe tariefdrager overal in het land is ingevoerd, is het de bedoeling dat het nationale systeem geheel vervalt en de 19 ov-autoriteiten geheel verantwoordelijk zijn voor de tarieven in het stads- en streekvervoer. Na drie decennia komt daarmee een eind aan de tariefintegratie en ontstaat net als vroeger tatiefdifferentiatie tussen regio’s.
Wat doet het KpVV?
Ter voorbereiding op de decentralisatie van het tarievenbeleid naar de ov-autoriteiten maakten wij een dubbelrapport over trends en tariefsystemen in Europa. Het bevat:
- een algemene beschouwing over tariefsystemen
- een analyse van de actuele trends in het Europees tarieflandschap
- een korte beschrijving van het tariefsysteem in tien Europese regio’s
- tien leerpunten en tips.
Wij volgen de ontwikkeling van het oude naar het nieuwe tariefsysteem op de voet en staan de decentrale overheden bij met kennis over buitenlandse ervaringen.
Wat doen anderen?
- De chipkaart wordt ontwikkeld door Trans Link Systems, een samenwerkingsverband van NS, Connexxion, GVB, HTM en RET. TLS is de opdrachtgever voor de industrie – m.n. het consortium East-West - voor de levering van het systeem en de bijbehorende infrastructuur.
- De OV-autoriteiten besluiten over de toepassing van de chipkaart in hun gebied en stellen de kaders vast. Zij besluiten ook over de tarieven.



