
Het openbaar vervoer dat de vervoerbedrijven bieden, wordt betaald uit vijf componenten:
- een subsidie van de OV-autoriteiten
- een berekend aandeel uit de verkoop van nationale vervoerbewijzen
- voorverkoop regionale kaartjes en verkoop ‘op de wagen’
- een berekend aandeel uit de OV-studentenkaart
- eigen inkomsten uit andere activiteiten dan openbaar vervoer.
BDU
De subsidie die de OV-autoriteit verstrekt aan een vervoerder vloeit voort uit de afspraken die zij met deze vervoerder hebben gemaakt in het kader van de concessieverlening. Gemiddeld is dit bijna 60 procent van de kosten van het openbaar vervoer. Het geld is geheel of nagenoeg geheel afkomstig uit de brede doeluitkering (BDU) die het Rijk beschikbaar stelt voor tal van regionale verkeers- en vervoerdoeleinden, waaronder de exploitatie van het openbaar vervoer. Het Rijk verdeelt deze BDU via een vaste verdeelsleutel. Dus onafhankelijk van de regionale prestaties. Er zijn geen schotten in de BDU; de decentrale overheid kan zelf bepalen waaraan het de BDU besteedt. Over de historie van de ov-subsidiëring zie deze pagina.
NVB
NVB staat voor nationale vervoerbewijzen. Dit zijn de strippenkaarten, sterabonnementen, dagkaarten, netkaarten en OV-jaarkaarten. Vervoerbewijzen Nederland verzorgt in opdracht van het Ministerie van Verkeer en Waterstaat de verdeling. Daartoe wordt geregeld een zogeheten WROOV-onderzoek gehouden. Dit onderzoek gaat na hoe het gebruik van deze vervoerbewijzen feitelijk is geweest.
Regionale kaartjes en verkoop op de wagen
Steeds vaker maken vervoerders gebruik van speciale regio- of stadsgebonden kaartjes, zoals familiekaartjes, eurokaartjes, dalkaartjes en Maxx-kaartjes. Daarnaast is er de verkoop ‘op de wagen’ van ministrippenkaarten. De inkomsten uit deze beide bronnen mag het betreffende vervoerbedrijf (uiteraard) zelf houden; ze maken geen deel uit van een herverdeling over de vervoerbedrijven.
OV-studentenkaart
Het Ministerie van OCW heeft een grootgebruikerscontract afgesloten met de vervoerders ten gunste van studenten van 18 jaar en ouder. Hiervan gaat ruim 200 miljoen euro naar het regionale openbaar vervoer en ruim 300 miljoen euro naar de NS. De vervoerders hebben onderling afgesproken hoe de opbrengsten uit het studentenkaartcontract onder hen worden verdeeld. Op verzoek van de OV-autoriteiten berekenen zij ook de verdeling over de concessiegebieden. De OV-autoriteiten moeten dit weten met het oog op de aanbestedingen en de concessieverlening.
Overige inkomsten
Vervoerbedrijven ontvangen vaak ook inkomsten uit andere commerciële diensten, zoals diensten voor private partijen, de exploitatie van de regiotaxi, reclame op de bus, vervoermanagement, vastgoed en projectmanagement. Het grootste deel van deze inkomsten staat los van die uit openbaar vervoerdiensten. Indirect spelen ze echter wel een rol, omdat de opbrengst kan leiden tot een scherpere inschrijving bij aanbestedingen.
NB De aanleg en het onderhoud van vrije infrastructuur voor openbaar vervoer is een taak van de overheden.



